15.9.10

The life & times of Japie

Japie is achttien jaar oud en dat is een respectabele leeftijd voor een poes. Japie's officiele naam luidt Jaap de Vries, en ik ken niemand wiens naam beter bij zijn persoon past.
Japie kwam, op mijn eenentwintigste verjaardag, bij mij wonen op mijn kamertje in het pakhuis aan de Lage der A in Groningen nadat een slinkse boer zijn kans rook toen hij mijn vriendin aan zag komen met haar blonde krullen, ronde ogen en een hart waar alle dieren op de wereld in passen. Voor mijn verjaardag had zij mij namelijk een enkele poes beloofd. Ik dacht daarbij aan een lieflijk, beschaafd stadspoezenmeisje in een decoratief kleurtje, maar in plaats daarvan kwam zij aanzetten met twee rood met witte boerderijkaters. De ene was een uiterst charismatisch en stoer bakbeest die we Gerard noemden en de andere was Japie, die toen nog heel klein en heel bang en ongelooflijk zielig was. "Twee?" riep ik vertwijfeld uit toen ik het gezelschap zag arriveren. "Jamaar", sputterde vriendin, "De boer ging die kleine verzuipen als wij hem niet meenamen!" Ze zette de mand op de grond en deed het deurtje open. Gerard kwam eruit geschreden, monsterde de kamer en ging vervolgens tevreden op de vloerbedekking liggen rollen. Dat zat wel snor. Japie echter sloop op zijn buikje de mand uit, zette het vervolgens op een verwilderd rennen en koos toen het verste plekje achter mijn koelkast uit als schuilplek, een veilige haven waar hij nog lang naartoe terugkeerde als er iets gebeurde dat hem angst aanjoeg. En er was veel dat hem angst aanjoeg. Het heeft lang geduurd voor Japie een beetje vertrouwen kreeg in de wereld om hem heen. Gelukkig had hij Gerard, de stoerste aller poezen als zijn lichtend voorbeeld en die volgde hij dan ook als een schaduw. Niet lang daarna breidde de familie verder uit, want ik ontmoette Stefan, die al na de tweede ontmoeting niet meer van mijn bank af te krijgen was en al gauw kreeg ik het benauwd met al die individuen op elkaar gepakt in dat kleine hokje twee hoog aan de gracht.
Ik kocht een huis. Met een tuin. In een wijk.
Stefan trok erbij in en nam zijn twee poezen mee. Gerard vond het best, maar Japie ervoer de komst van de twee indringers als een van de meest grove schendingen van zijn poezenrechten. Hij doorliep dit proces dan ook zoals ook mensen dat doen na een ingrijpende en schokkende gebeurtenis in hun leven; in de beroemde fasen volgens Kübler-Ross.
Vele pogingen heeft hij ondernomen om de twee arme katten de tent uit te vechten. Totdat hij doorhad dat zijn verzet zinloos was en de gasten permanent hadden ingecheckt.
Het leven ging door en de poezenfamilie dunde uit. De lieve zwarte kater van Stefan stierf op de allerzieligste manier denkbaar: na zijn penisverwijderings-operatie. Ja, het bestaat. En volgens de dierenarts die we destijds consulteerden kon het echt niet anders. Of de kater uiteindelijk aan zijn aandoening is gestorven of aan een gebroken ziel weet ik niet, maar een lijdensweg was het zeker. Japie zat er niet mee. Hij was blij met de achtertuin en had het veels te druk met het wegjagen van de buurtkatten. Regelmatig moest ik de tuin instormen om een krijsende, rondtollende kattenkluwen uit elkaar te halen, maar vaak kwam ik te laat en had hij alweer plukken haar in zijn bek en tussen zijn nageltjes, gescheurde oren en pijnlijk uitziende, bloedende krassen op zijn neus. Het waren mooie tijden voor de plaatselijke dierenartspraktijk.
Het bericht van de verhuizing naar Nieuwegein werd door de katten niet met gejuich ontvangen. Ze wisten dat ze geen keus hadden, maar hielden het desondanks in hun drie mandjes op de achterbank twee uur lang vol om hun bezwaren kenbaar te maken. We moesten de raampjes van de auto openzetten vanwege hun whiskasadempjes. Japie was een zenuwinzinking nabij.
Na een tijd konden we de poezen weer een fijne tuin geven, maar Gerard was niet fit. Na onderzoek bleek dat hij een ernstige nieraandoening had en dat hij niet meer beter zou worden. Een slag voor ons, maar zeker voor Japie. Hij was zijn pater familias kwijt. Met wie moest hij nu optrekken? Tegen wie kon hij nu aan gaan liggen? Een ding was zeker: hij had een nieuw voorbeeld nodig. er zat niks anders op dan het maar aan te leggen met zijn aartsvijandin: Stefans zwart-witte damespoes, de weduwe van de lieve zwarte kater. Uiteraard ging dit niet zonder slag of stoot. De damespoes was na ruim tien jaar ruzie en gedoe echt niet van plan om zomaar vriendschap te sluiten met haar plaaggeest. Bovendien was zij een nogal individueel ingesteld type, die er totaal niet op zat te wachten zich nogmaals te binden. Zeker niet aan zo'n afhankelijk figuur als onze Jaap. Maar zij had buiten zijn aanhoudend karakter gerekend en kon uiteindelijk niks anders doen dan toegeven. Zo ontstond de meest onwaarschijnlijke vriendschap ooit, de innige vriendschap tussen eens gezworen vijanden. Of misschien dat de damespoes last had van het Stockholmsyndroom. De vriendschap hield echter stand en werd inniger en duurde tot we ook het leven van de damespoes, die plots aan een agressieve vorm van kanker bleek te lijden, moesten laten beeindigen.
En toen was Japie alleen. Het was de eerste keer dat ik een kat heb zien rouwen. Maandenlang is hij van slag geweest.
Maar ook aan deze situatie is hij gewend geraakt. Hij heeft beslag laten leggen op Nona's schoot, en begint de rust om hem heen steeds meer te waarderen. Hij is oud geworden en staat het grootste gedeelte van de dag op de "spaarstand". Slapend in het enige reepje zonlicht in de tuin of op het vloerkleed. De laatste tijd op de derde of vierde trede van de trap, waar hij dan steevast een aantal keer vanwege zijn schokkerige dromen vanaf kukelt. Rommeldebom-bónk, hoor ik dan. En dan een paar getergde miauwen waarna hij de trap weer opklimt en het hele ritueel weer van voren af aan begint.
De afgelopen weken was Jaap ziek. Hij at niks. Hij dronk bijna niks. Hij hing gedwee op mijn arm als ik hem optilde. Tegen de honden van mijn schoonzusje zette hij zijn haren niet eens meer omhoog, zelfs niet toen een van de twee hem op zijn schuilplek kwam storen. En, en toen begon ik me echt zorgen te maken, hij liet zelfs een schoteltje tonijn onaangeroerd. Voorzichtig bracht ik Nona op de hoogte van zijn toestand en bereidde haar vast voor: "Het kan zijn dat Japie hier niet meer bovenop komt, No." "Gaat 'ie dan dood?" Vroeg ze bezorgd. "Ja, dan gaat 'ie dood" antwoordde ik, want ik vind dat je om dat soort dingen niet al te veel heen moet draaien.
Maar toen. Op een avond kwam hij naast me staan tijdens het koken en miauwde. Hard. Niet zo klaaglijk als dat ik hem de dagen ervoor had horen doen. Nee, dit was zijn 'ik-heb-honger' lied. Ik gaf hem een half blikje voer van een merk dat hij voorheen consequent liet staan en hij viel erop aan. Daarna draaide hij zich om en miauwde weer luid. De rest van het blik ging erachter aan.
Ik zag hem wat drinken en ik zag hem zienderogen opknappen. "Het lijkt erop dat hij er weer bovenop is", zei ik tegen Stefan en Nona.
Maar het gaat niet echt goed met hem, dat zie ik ook wel.
Hij is een hoop kracht verloren; gisteren wilde hij op schoot springen, maar kwam niet verder dan halverwege en bleef hulpeloos hangen aan mijn been. Af en toe zie ik zijn achterlijf zwabberen alsof hij een borrel teveel heeft gedronken. Hij struikelt steeds over de deurmat.
Nona vroeg, hoopvol: "Gaat 'ie dan niet dood?"
"Nee. Vandaag niet, lieverd." Zei ik.
Vandaag nog niet.

3 opmerkingen:

marieke zei

wat een mooi verhaal over japie. Een respectabele leeftijd. Ik zie hem nog zo achter de koelkast verdwijnen toen G het deurtje open deed. tis lang geleden, wat u zegt.

NOVY zei

Ach, wat een mooi verhaal over Japie. Ik hoop dat hem een lijdensweg bespaard blijft...

Maar joh: De Vríés?? Hoe kóm je dr op?

Ingeborg zei

Wat een mooie ode aan Japie, er wordt veel van hem gehouden.